Geworteld in twee werelden..
Opgroeien met twee culturele werelden betekent niet automatisch dat een kind zich tussen twee werelden bevindt. Toch wordt bicultureel opgroeien vaak op die manier beschreven, alsof er twee afzonderlijke kanten bestaan waartussen een kind uiteindelijk een positie moet kiezen. In werkelijkheid is identiteitsontwikkeling veel gelaagder. Verschillende culturele invloeden kunnen naast elkaar bestaan en samen onderdeel worden van de manier waarop een kind zichzelf en de wereld leert begrijpen.
Een kind kan thuis opgroeien met bepaalde waarden, gewoontes, verwachtingen, een andere taal of religie, terwijl het buiten de vertrouwde omgeving dagelijks in aanraking komt met andere ideeën. Op school, bij vrienden, online en in de bredere samenleving leert een kind bijvoorbeeld andere opvattingen kennen over zelfstandigheid, familie, vrijheid, verantwoordelijkheid en succes. Die verschillende perspectieven hoeven elkaar niet tegen te spreken. Ze kunnen juist bijdragen aan een bredere manier van kijken naar mensen en naar de wereld.
Veel biculturele kinderen leren al jong om zich tussen verschillende sociale en culturele contexten te bewegen. Zij merken dat gedrag dat thuis vanzelfsprekend is, ergens anders anders kan worden geïnterpreteerd. Ze leren verschillende sociale codes begrijpen en ontwikkelen vaak het vermogen om vanuit meerdere perspectieven naar situaties te kijken. Dat aanpassingsvermogen wordt soms vooral benaderd als een uitdaging van bicultureel opgroeien, terwijl hierin ook een belangrijke kracht kan liggen.
Tegelijkertijd komt er tijdens het opgroeien een moment waarop kinderen bewuster gaan nadenken over wie zij zijn en waar zij bij horen. Identiteit ontstaat immers niet alleen vanuit wat ouders en familie meegeven. De omgeving speelt daarin eveneens een belangrijke rol. Kinderen vormen een beeld van zichzelf door de reacties die zij van anderen ontvangen en door de verhalen die zij over mensen zoals zij horen en zien.
Voor biculturele jongeren kan die buitenwereld soms tegenstrijdige boodschappen geven. Zij kunnen zich volledig onderdeel voelen van de samenleving waarin zij opgroeien en tegelijkertijd merken dat hun naam, huidskleur, religie of culturele achtergrond ervoor zorgt dat anderen hen anders benaderen. Ook maatschappelijke beeldvorming en de manier waarop over bepaalde groepen wordt gesproken, kunnen onderdeel worden van hun identiteitsontwikkeling. Een jongere hoeft begrippen als stereotypering, uitsluiting of discriminatie nog niet volledig te begrijpen om wel aan te voelen dat bepaalde delen van zijn identiteit anders worden gewaardeerd.
Juist daar kan spanning ontstaan. Niet noodzakelijk omdat een jongere met meerdere culturen opgroeit, maar omdat de omgeving soms de indruk kan geven dat die verschillende delen niet vanzelfsprekend naast elkaar mogen bestaan. Sommige jongeren ervaren bijvoorbeeld dat zij binnen hun familie als te Nederlands worden gezien, terwijl zij buiten de deur juist vragen krijgen over waar zij ‘echt’ vandaan komen. Anderen merken dat bepaalde aspecten van hun achtergrond regelmatig moeten worden uitgelegd of verdedigd. Wanneer dergelijke ervaringen zich herhalen, kan een jongere zich bewust of onbewust gaan afvragen welke delen van zichzelf veilig genoeg zijn om zichtbaar te maken.
Het ondersteunen van een gezonde biculturele identiteit gaat daarom niet over het bepalen welke cultuur het zwaarst moet wegen. Het gaat ook niet over het creëren van een perfecte balans tussen twee achtergronden. Identiteit is geen rekensom waarin beide kanten precies evenveel ruimte moeten krijgen. Het gaat er veel meer om dat een kind voldoende ruimte ervaart om te onderzoeken wat verschillende delen van zijn achtergrond voor hem betekenen en hoe hij deze wil verbinden met de persoon die hij aan het worden is.
Ouders hebben hierin een belangrijke positie, omdat thuis vaak de eerste plek is waar een kind betekenis leert geven aan zijn afkomst. Dat gebeurt niet alleen door expliciete gesprekken over cultuur, maar juist in het dagelijks leven. Familieverhalen, taal, eten, geloof, humor, omgangsvormen en de manier waarop binnen een gezin voor elkaar wordt gezorgd, dragen allemaal iets over van waar een kind vandaan komt. Wanneer ouders daarnaast ruimte bieden voor vragen en verandering, ontstaat er voor een kind de mogelijkheid om niet alleen een culturele achtergrond te erven, maar er ook een eigen verhouding toe te ontwikkelen.
Dat betekent ook dat een bicultureel kind niet hetzelfde hoeft te denken, leven of kiezen als eerdere generaties om verbonden te blijven met zijn achtergrond. Opgroeien in een andere tijd en samenleving brengt vanzelf nieuwe ervaringen en perspectieven met zich mee. Juist wanneer een kind stevig genoeg weet waar bepaalde waarden en verhalen vandaan komen, ontstaat er ruimte om te onderzoeken welke daarvan passen bij de eigen ontwikkeling.
Misschien is dat wat werkelijk geworteld zijn betekent. Wortels zijn er niet om groei tegen te houden, maar om voldoende stevigheid te bieden om te kunnen groeien. Een boom met sterke wortels blijft tenslotte niet dicht bij de grond, maar ontwikkelt zich juist verder en beweegt mee met zijn omgeving.
Voor biculturele kinderen en jongeren zou identiteit daarom niet in de eerste plaats een keuze tussen twee werelden moeten zijn. Het zou de ruimte mogen zijn waarin verschillende delen van hun geschiedenis, omgeving en eigen ervaringen samenkomen. Zij hoeven niet minder van het ene te worden om meer van het andere te kunnen zijn. Wanneer zij de ruimte krijgen om beide werelden te begrijpen en daar zelf betekenis aan te geven, kunnen zij uiteindelijk een identiteit ontwikkelen die niet verdeeld voelt, maar eigen.
Geworteld zijn in twee werelden betekent dan niet dat je voortdurend tussen beide moet kiezen, maar dat je vanuit beide mag groeien.